Vergeten schrijver: Loekie Zvonik (1/4)


essay door

Wout Vlaeminck heeft een boontje voor vergeten schrijvers zoals Paul Brondeel, Rita Demeester en Bob Willems, maar vooral voor de vandaag exact zestien jaar geleden overleden Loekie Zvonik, schrijfster van de bekroonde debuutroman ‘Hoe heette de hoedenmaker?’ uit 1975. In deel 1 van dit vierdelig essay komen we meer te weten over Zvoniks universiteitsjaren in Gent en haar bijzondere band met Dirk de Witte, wiens latere zelfmoord aan de basis van die prachtige sleutelroman zou liggen.

“In elk leven gebeuren belangrijke dingen, en iets wordt niet pas belangrijk als het literatuur geworden is,” verklaart Loekie Zvonik in 19751 naar aanleiding van haar debuutroman, Hoe heette de hoedenmaker?. “Schrijven is geen kwestie van leven of dood voor me. En als ik niet meer schrijf, dan hou ik als wezenlijke troost dat een aantal dingen voor mezelf waardevol zijn, dat het voor mezelf iets geworden is, iets wat ik, hoe dan ook, niet meer kwijt zou willen.” Zvonik publiceerde drie romans en een handjevol verhalen en hield het daarna voor bekeken.

Bij het overlijden van de schrijfster in 2000, oppert De Morgen-journalist Jeroen de Preter dat Zvonik al bij leven in de vergeethoek was geraakt.2 Enkele jaren na haar dood blijkt er geen enkele uitgeverij geïnteresseerd te zijn om een verzameld werk van de auteur op de markt te brengen. Onterecht. Want hoewel Loekie Zvonik met de publicatie van slechts drie romans bezwaarlijk een veelschrijfster genoemd kan worden, straalt haar bescheiden oeuvre een enorme zeggingskracht en een enorme literaire kwaliteit uit.

“Behalve als roman over en biografie van Dirk de Witte, verdient Hoe heette de hoedenmaker? ook een herlezing en herwaardering als autobiografie van Loekie Zvonik,” schrijft De Preter nog, en dat geldt eigenlijk voor het complete oeuvre van de schrijfster.

“Met welke bedoeling gaan we altijd weer naar het verleden terug en laden ons op met voorbije ontroering?”

Heimwee naar geluk

Hermine Louise Marie Zvonicek3 wordt op 17 januari 1935 in de Gentse Bijloke geboren als dochter van een Tsjechisch-Boheemse vader en een Waals-Vlaamse moeder. Hermines vader, Bohuslav Zvonicek, afkomstig uit Praag, kwam in 1932 met een studiebeurs naar Vlaanderen, waar hij in brouwerij Meiresonne in Gent, en later ook in brouwerij Kruger in Eeklo, stage zou lopen. In Eeklo ontmoet hij Louise Buche, dochter van een Vlaamse moeder en Waalse vader. “Hij belandde in het Café des Voyageurs, waar hij zich de naar zijn smaak mooiste van grootmoeders dochters uitzocht, die met het kastanjebruine haar die voor onderwijzeres had gestudeerd, een beroep dat indertijd nog grote achting en waardering genoot, zodat de kans erin zat dat Bohuslav en Louise een gelukkige toekomst zouden tegemoet gaan.”4 Bohuslav en Louise huwen in augustus 1933. Hun tweede dochter, Bohumira (‘Mira’), wordt in 1937 geboren.

Wanneer de Tweede Wereldoorlog van start gaat, is Zvonik vijf jaar oud. Haar herinneringen aan de oorlogsperiode komen het uitdrukkelijkst tot uiting in het verhaal ‘Maar in plaats van de koekoek’ en in haar tweede roman, Duizend jaar Thomas. In Duizend jaar Thomas ontmoeten we het personage Marie, naamgenote van Zvonik, die met haar familie op de vlucht is voor het allesbedreigende oorlogsgevaar:

Ze komen, riep mijn vader, nu is het ook al oorlog bij ons. We liepen weg uit Eeklo. Moeder stootte voortdurend tegen andere mensen aan omdat ze niet keek waar ze haar voeten zette, ze zat met haar gedachten in de wolken, in het ijle uitspansel, alsof het vliegtuig dat pirouettes maakte boven de boomkruinen ieder ogenblik naar beneden kon storten.

Tot haar tiende woont Zvonik in Eeklo, waarna ze met haar ouders en zus naar Sint-Niklaas bij Antwerpen verhuist, wat voor haar een “amputatie” betekent. In deze periode leert ze het werk van Filip De Pillecyn kennen en waarderen:

Bij De Pillecyn leerde ik wat ik nooit meer kwijt zou raken: het ondergaan van de natuur, het heimwee naar het verleden, de manier om mensen te zien als wezens die in zich de melancholie, het heimwee naar zichzelf dragen. En die vanuit deze gevoelstrek de anderen slechts kunnen aanraken zonder tot een werkelijke osmose te komen. De mensen van De Pillecyn lijden aan een innerlijke verscheurdheid, het besef geboren te zijn met de mogelijkheid van de engel en te leven met de onvolkomenheden van de mens.5

Ondertussen wordt haar vaders heimwee naar Bohemen steeds groter. De Tweede Wereldoorlog had een terugkeer naar Tsjechië onmogelijk gemaakt en Bohuslav koestert een onoverkomelijk geworden verlangen naar zijn vaderland. “Hij bleef dus hier, maar met ontzettend veel heimwee, naar zijn dorp in Oost-Bohemen aan de Elbe, naar zijn ouders die hij nooit meer terugzag, naar Praag, naar die complete levensstijl die anders was dan wat hij hier vond,” vertelt Zvonik aan Hilde Masui.6 “Dat had veel invloed op mij en mijn zuster, want heimwee hebben was iets waar je dagelijks mee leefde. Maar vermits wij de inhoud niet kenden van dat specifieke heimwee van mijn vader hebben wij er andere inhouden in gelegd. Heimwee naar steden die we nooit gezien hadden, naar dingen die we niet weten, naar alles… Dus waarschijnlijk ook heimwee naar geluk, ja.”

Dit heimwee naar geluk komt doorheen het hele oeuvre van Zvonik nadrukkelijk naar voren. De personages die haar verhalen en romans bevolken zijn stuk voor stuk figuren die niet meer loskomen van het verleden, die vasthouden aan herinneringen, aan iets wat komen moest maar nooit heeft plaatsgevonden. Het zijn figuren die bij voorbaat met een soort gevoel van heimwee leven, in het noodlottige besef dat het verleden nooit voorbij mag gaan, en die vaak ontnuchterd en verweesd achterblijven.

“Gent, zo lang geleden”

Zvonik loopt school aan de O.L.V.-Presentatieschool van Sint-Niklaas-Waas, waarna ze in Gent Germaanse filologie studeert. Daar komt ze onder de hoede van Kafka-kenner Herman Uyttersprot; zijn invloed op Zvonik is groot. Jaren later, zowel in haar debuutroman als in verscheidene interviews, herinnert Zvonik zich professor Uyttersprot als degene die zijn studenten “alles leerde” en voor velen een soort initiator werd die, met zijn belangstelling voor de schaduwzijde van het leven, “tegenover de statische tragiek van het uitzichtloze het dynamische van de onthechting wist te plaatsen.”7

Ook de eerste, oppervlakkige contacten met studiegenoot Dirk de Witte, wiens zelfmoord aan de basis van De hoedenmaker zal liggen, dateren uit deze periode. Net als Zvonik is ook De Witte helemaal begeisterd door de colleges van ‘professor Herman’ en hangt hij aan diens lippen. In Zvoniks debuutroman wordt al gauw duidelijk dat De Witte, die in het boek Didier wordt genoemd, een naar de dood gedrevene, een “Fruhvollenteder” is, net zoals degenen over wie professor Uyttersprot in zijn colleges uitwijdt. Gent wordt in Hoe heette de hoedenmaker? dan ook als een decadente, sombere stad ontmaskert en fungeert als een grauwe voedingsbodem voor Didiers pessimisme:

Gent, zo lang geleden, met de versleten kamers van de Sint-Kwintensberg en de Sint-Pieterswijk. Met de huizen van de Graslei, de grijze kastelen, de petuniavensters boven het zwarte water. Met Marc die zich een kogel door het hoofd jaagt als in oude Russische verhalen. Met Rudolf die gedichten schrijft in de krans van zijn zeven zusters. De waslijnen boven het Godshuishammeken en het Patershol. Met bruggen van ijzer, hout en kasseien over Leie, Schelde en kanalen. Met de tramrails tussen de scherende meeuwen die vanuit de haven in de middeleeuwse stad komen krijsen. Het witte licht in de nachtelijke begijnhoven. En buiten de stad het riet en de houtmijten en hooioppers te Afsnee, te Deurle, te Zwijnaarde, in het land van Karel van de Woestijne, ’t is triestig dat het regent in den herfst. (…) Gent en alle verloren, vergane tijd die ons onaf heeft gelaten, onmondig en onthutst.

Met zijn vriend Marc heeft Didier het over “gedoemde dichters en jonggestorven beeldhouwers, gekke schilders als Van Gogh en oude kansspelen als Russian Roulette” en koestert hij een voorliefde voor de jonggestorven dichter Georg Trakl, die met barbituraten een eind aan zijn leven maakte en “zowat verliefd was op zijn eigen zuster”. Hermine voelt zich meteen tot Didier aangetrokken, ondanks het advies dat ze van groottante Louise meegekregen heeft, namelijk dat het altijd goed is naar evenwicht te zoeken: “Het is goed daarmee te leven. Het wapent je tegen de anderen die soms heel anders zijn dan jezelf.”

Wanneer Hermine uiteindelijk gaat beseffen dat Didier beminnen betekent dat ze moet gaan leven naar zijn beeld en gelijkenis, haakt ze af. Althans voorlopig. Doorheen de hele roman blijken Hermine en Didier elkaars tegengestelden te zijn: Hermine die de deemoed, het verlangen om te leven in zich draagt, en Didier, die louter lijkt te leven in termen van een vroege voltooiing. “Je bent soms zoals ik, dacht ik, willen liefhebben en niet weten ook geliefd te zijn. Je wil weten hoeveel ik om je geef. Hoe ver ik om jouwentwille zou kunnen gaan. Je wil jezelf in mij ontdekken. Je hebt me alleen maar lief om jezelf waar te maken. Ga maar van iemand anders houden,” besluit Hermine in De hoedenmaker.

En dat is wat Didier lijkt te gaan doen: wanneer zijn beide ouders tijdens zijn collegejaren sterven, zoekt hij troost bij X, met wie hij huwen zal. Hermine, op haar beurt, duikt onder in de armen van Y, met wie ze van de kleine geneugten van het leven genieten kan. Uiteindelijk verliezen Hermine en Didier elkaar uit het oog, tot een gemeenschappelijke reis naar Wenen hen terug samen brengt.

Ook Zvoniks vader sterft datzelfde jaar. Dit maakt voor haar een terugkeer naar Praag op een bepaalde manier onmogelijk. Ze beseft namelijk dat zij hierdoor nooit het Praag van haar vader zal kunnen ontdekken. “Nu ik hem wil vinden is hij niet meer te achterhalen,” treurt Hermine in De hoedenmaker:

Hij is mijn eerste dode. Ik heb hem nooit laten vertellen over zijn heimwee naar Bohemen. Ik weet niet eens wat hij allemaal heeft beleefd. Dikwijls zat hij bij de radio en zocht de zenders van heel Europa af naar liederen die hem zouden herinneren aan vroeger tijden: Waar is mijn vaderland?

En dus moet Hermine besluiten dat ook dit heimwee is:

Ik weet niet waar ik vandaan kom, ik ken alleen mijn antecedenten langs moederskant. Wie weet wat ik ben als ik naar Bohemen ga en probeer te vinden wat mijn oorsprong en bestemming is. Ik geloof niet dat ik al vlug naar mijn vaderland zal gaan. Soms denk ik dat het goed is dit soort van heimwee te bezitten, het verhindert me dat andere heimwee te cultiveren waarmee ik de meeste mensen bezig zie en dat niet meer aan het leven gebonden is maar aan de dood.

Praag is een “moedertje stad” die “klauwen heeft, van de burcht tot beneden in het getto”:

[Praag,] dat in de boeken een giftige woekerplant is geworden, een verstikkende hallucinatie van naar zeep en verschaalde koffie ruikende binnenplaatsen, trapkokers, gaanderijen, zolders, kelders, wil ik met de vermoedelijke blijheid van mijn vader zien.

Zvonik is werkzaam als onderwijzeres Nederlands en Duits aan het Rito te Hasselt. Na haar studies huwt ze Rudi Strybol, doctor in de psychologische wetenschappen en werkzaam als leraar aan de rijksnormaalschool in Hasselt. Daarnaast werkt hij wel eens mee aan tijdschriften als Kultuurleven en Volksopvoeding. In 1964 verhuist het echtpaar naar Hasselt en niet veel later wordt hun zoon geboren. In familiekring wordt de koosnaam Jirko courant gehanteerd, te verklaren door Zvoniks Tsjechische roots. Later verhuist het gezin naar Heusden-Zolder.

In Nieuw Vlaams Tijdschrift verschijnt in 1964 Zvoniks eerste publicatie, het verhaal ‘Maar in plaats van de koekoek’, onder het pseudoniem Loekie Zvonicek. Volgens Julien Weverbergh had de Brugse uitgever Johan Sonneville Zvonik via Marcel Boon leren kennen en werd er in 1965 al een principieel akkoord gesloten voor een roman getiteld Maar in plaats van de koekoek.8 Of Zvonik effectief voldoende afgewerkt materiaal had voor een roman en dat de de publicatie in NVT hier enkel een fragment van was, is moeilijk na te gaan: in de collectie die het Letterkundig Museum van Zvonik bezit, is hier niets over terug te vinden. Ook de reden waarom de roman er uiteindelijk niet gekomen is, blijft onduidelijk. Wel zijn de thema’s en motieven die Zvonik in haar latere werk zal uitwerken, al prominent in dit verhaal aanwezig. Enkele regels uit ‘Maar in plaats van de koekoek’ worden in Zvoniks tweede roman, Duizend jaar Thomas, zelfs letterlijk overgenomen.

In Maar in plaats van de koekoek wordt het heden afgewisseld met flashbacks en met herinneringen aan Ingeleens kindertijd en de oorlogsjaren van 1940-1945. Centrale thema’s in het verhaal zijn: heimwee, herinneringen, en de zoektocht naar verloren gegaan of onbestaand geluk. Ook wordt er al, hoewel summier, naar door Zvonik zelf bewonderde auteurs verwezen: Ingeleen reciteert gedichten van Pablo Neruda en Jacques Prévert. De lezer volgt het ontwikkelingsproces van Ingeleen vanaf haar studententijd in Gent, waar ze haar geliefde, Hans, ontmoet, tot aan de reis die zij als jonge vrouw naar Beausoleil onderneemt, en het uiteindelijke verlies van het sinds lange tijd gekoesterde maar altijd even broze geluk.

Die grausame Verkettung

In september 1970 is er een hernieuwd contact met ex-studiegenoot Dirk de Witte. De Witte is gehuwd met Anneke Hoegaerts en auteur van enkele door recensenten goed ontvangen boeken. Zvonik en De Witte waren elkaar sinds hun studententijd uit het oog verloren, maar wanneer een gemeenschappelijke vriendin opbelt met de vraag of ze zin heeft De Witte naar een filologencongres in Wenen te vergezellen, stemt Zvonik toe. Tijdens hun reis ontstaat er een intieme liefdesrelatie, hoewel Zvonik er zichzelf van wil verzekeren dat dit maar een kortstondig gegeven is. In De hoedenmaker komen de regels “Ik behoor andere mensen toe” en “Ik heb trouwens andere mensen lief” veelvuldig voor. Voor Zvonik is haar verhouding met De Witte een onschuldig spel tussen twee volwassenen:

En in de tuin spelen kinderen en zij willen tochten ondernemen naar braambessenstruiken en zij willen dat ik een taart bak en met hen en die taart ga picknicken in de hoge groene bossen om het huis.

Ik moet me ervan verzekeren dat ik na mijn terugkeer uit Oostenrijk met open armen zal worden ontvangen in mijn lieflijke woning. Wat daarbuiten ligt is tenslotte randgebied. Didier is randgebied en zo is Wenen. Ik zal maar twaalf dagen weg zijn en dan terugkomen in het veilige zelfbehoud.

Maar al snel krijgt hun relatie meer betekenis, alsof het iets is wat aan hen gebeuren moet en onafwendbaar is. “Kleine kinderen strijk je de zorgen van de hoofdjes weg,” schrijft Zvonik, “Maar grote mensen hebben andere riten en symbolen. Hij knielt op mij als op eigen grond, alsof dit vooraf bepaald werd en wij slechts te gehoorzamen hebben.”

De Witte is een bijzonder sombere man die ten ondergaat aan het existentialisme dat zo eigen is aan de jaren 1960. Hoewel hij met zijn twee verhalenbundels en zijn roman De vlucht naar Mytilene behoorlijk veel succes had geoogst, twijfelt hij enorm aan zichzelf en zijn literaire werk. De Witte voelt zich mislukt in de kern van zijn bestaan: hij voelt zich een slecht auteur, een mislukt echtgenoot, hij verbeeldt zich dat zijn leerlingen een hekel aan hem hebben. Geheel in de ban van schrijvers die eigenhandig een eind aan hun leven hadden gemaakt, legt hij een verzameling namen aan, die hij wil verwerken tot een essaybundel over zelfmoord in de literatuur.

In zijn standaardwerk De laatste deur schrijft Jeroen Brouwers,die De Witte persoonlijk heeft gekend:

Zei hij iets, dan was het acht van de tien keer een citaat, zes van de acht keer een citaat in verband met zelfmoord. Dit citaat was steevast afkomstig uit een boek van een schrijver-zelfmoordenaar, of uit een wetenschappelijke verhandeling over zelfmoord, of uit een boek van de schrijver-zelfmoordenaar in spe Dirk de Witte zelf,- ook wel kon hij een tekst in verband met zelfmoord citeren die zowel van een ander als gelijkertijd van hemzelf was. Bij het bouwen van een mythe hoort raadselachtigheid. Zei hij iets, dan ‘bedoelde’ hij misschien iets dat via omweg (…) moest worden achterhaald: altijd ‘betekende’ het (misschien) iets dat mede zou bijdragen aan zijn mythe, die altijd nòg mooier en nòg interessanter kon worden gemaakt, een en ander bepaald niet zonder geschmier.9

Dat veelvuldig verwijzen van De Witte naar zelfmoord en het citeren van schrijvers die zelfmoord hebben begaan, treedt in Hoe heette de hoedenmaker? onvermoeibaar op de voorgrond. Hij citeert de Zweedse schrijver Stig Dagerman en leest voor uit het van zelfmoord doordrongen dagboek ‘Leven als ambacht’ van Cesare Pavese. Hij vraagt aan Zvonik of zij broer en zus kunnen zijn, om haar daarna te vragen Hermann Hesses Der Steppenwolf te lezen. Uit Der Steppenwolf: “De steppewolf kan van de zelfmoord gered worden door het meisje Hermine”, “Zij was de verlossing, de weg naar de vrijheid. Zij moest mij leren leven of leren sterven” en “Ik wil met jou op leven en dood spelen, broertje. En verstikken is een harde dood. Juist? Is dat je noodlot?”

Zvoniks verhaal wordt vaak onderbroken (en bevestigd) door nagelaten dagboekfragmenten en afscheidsteksten van De Witte die na zijn overlijden in zijn werkkamer gevonden werden.

Hermine en Didier lijken niet met elkaar te kunnen communiceren: na het zoeken naar “een café om te praten” volgt een beschrijving van Wenen of anekdotische beschrijvingen van Zvoniks vaders geboortestad Praag. In De hoedenmaker verzucht Hermine meer dan eens: “Ik weet niet wat hij bedoelt”, “Ik zeg niet wat ik denk”, “Ik zwijg maar en word afgeleid”. Didier verlangt van Hermine dat zij hem zal redden, maar biedt haar geen rechtlijnige mogelijkheden of antwoorden aan. Doorheen de roman stelt hij zich passief op; Zvonik dicht hem meer dan eens het lijden van de Christusfiguur toe: “Hij heeft de hele tijd tegen de muur gestaan. Met zijn armen uitgebreid en nutteloos als Christus aan het kruis”, “Hij denkt soms dat hij Christus is en hij wil het leed en de schuld van alle mensen op zijn schouders laden.”

Terug in België zetten de twee hun contact voort, maar al gauw komt het tot een breuk. Zvonik verwijt De Witte dat hij tracht haar mee te sleuren in zijn noodlotsmythe. Hij trekt haar aan om haar daarna weer van zich af te stoten. Herhaaldelijk schrijft ze in De hoedenmaker dat zij niet kapot wil gaan aan haar liefde voor De Witte, dat zij wil leven, dat ze anderen heeft om voor te leven. Zvonik verbreekt het contact, maar kan zich niet helemaal van hem losscheuren. Ze gelooft nog in een goede afloop, dat de tragiek waar De Witte geleidelijk aan ten onder gaat slechts een pose is. In De hoedenmaker lijkt Hermine zichzelf moed in te praten wanneer ze verzucht

Als je samen heel jong bent geweest, dan kan je elkaar volledig vertrouwen want dan ken je elkaars onschuldige begin waarnaar je altijd weer terugwil en dan weet je dat je geen vervelende dingen met elkaar zal uithalen.

Zvonik voelt zich aanvankelijk wel tot De Witte aangetrokken, maar beseft wel dat overleven af en toe wat heldenmoed vergt. In tegenstelling tot De Witte heeft Zvonik een nuchtere kijk op het leven en laat zij zich niet ringeloren door de vele tegenslagen waar ze mee te kampen heeft. Zvonik kiest het leven, en cultiveert haar ‘heimwee naar geluk’ tot iets van een onnoembare schoonheid. Hermine in De hoedenmaker:

Soms denk ik dat het goed is dit soort heimwee te bezitten, het verhindert me dat andere heimwee te cultiveren waarmee ik de meeste mensen bezig zie en dat niet meer aan het leven gebonden is maar aan de dood.

Ongetwijfeld is het onder meer deze nuchtere kijk wat De Witte zo tot Zvonik aantrekt. Hij hoopt dat zij zijn redding zal betekenen, net zoals het personage Hermine in Hesses Der Steppenwolf Harry voor zelfmoord moet behoeden. Voor De Witte is Zvonik de personificatie van Praag: “Dertien bruggen naar jou toe – dertien namen. En jij een deur.” Het is een notitie die na De Wittes dood werd teruggevonden en door Zvonik in De hoedenmaker werd opgenomen. Zvonik besluit niet langer mee te gaan in De Wittes mythomanie, waarna hij haar, teleurgesteld, op een afstand houdt.

Voor Dirk de Witte is zelfmoord uiteindelijk de enige oplossing. Helemaal verstrikt in zijn mythomanie, zijn twijfel, zijn gepijnigde visie op de zin en de onzin van de literatuur en het leven, maakt hij op 27 december 1970 een eind aan zijn leven. Een jaar later zou zijn echtgenote Anneke zijn voorbeeld volgen.

Volgende week: deel 2. Een briljant prozadebuut.

  1. De Nieuwe, 12 december 1975.
  2. Jeroen de Preter,’Geen talent voor fictie’, De Morgen, 2 september 2000.
  3. Tsjechische namen volgen de grammatica en handen dus af van genus en getal, vandaar meestal de uitgang -ova voor vrouwen (dus: Hermine Zvonickova). In Belgie kreeg Hermine bij inschrijving in het bevolkingsregister uiteraard ‘gewoon’ de letterlijke naam van haar vader toegewezen.
  4. Loekie Zvonik, Duizend jaar Thomas, Standaard Uitgeverij, 1979, p.49
  5. Standaard der Letteren, 17 december 1976. Ook in de brochure ‘Loekie Zvonik. Een introductie.’ (Gaston Durnez), Manteau, 1983
  6. Hilde Masui, ‘Een beetje heldhaftigheid is wel nodig om gelukkig te zijn’, De Bond, 2 november 1979
  7. Standaard der Letteren, 17 december 1976
  8. Julien Weverbergh, Weverbergh ‘30-’70: herinneringen van een letterkundig omnivoor, Arbeiderspers, Amsterdam, 2005, p.317
  9. Jeroen Brouwers, De laatste deur, Arbeiderspers, Amsterdam, 1983, p.483