Vergeten schrijver: Rita Demeester (2/2)


essay door

Wout Vlaeminck heeft een boontje voor vergeten schrijvers, zoals de in 1993 overleden Rita Demeester. In het tweede en laatste deel van dit essay (herlees hier deel 1) komen we meer te weten over de inspiratiebronnen van Rita Demeester, de kritiek op haar werk en haar slepende ziekte.

Moten uit het lijf van het leven gesneden

Het is net de banaliteit van dit soort verhalen in Droomjager die recensent Jacques Kruithof tegen de borst stoot. In Vrij Nederland verwijt hij Demeester dat zij onvoldoende ‘inventie’ bezit.1 Volgens hem is er geen plot van betekenis, geen noemenswaardige pointe. Het zijn volgens Kruithof “broodmagere verhalen, minimale bedenksels” waarvan de noodzaak om ze neer te schrijven, een raadsel blijft. Demeester heeft haar voorkeur voor het schrijven over ‘het banale leven’ echter nooit onder stoelen of banken geschoven. In Met schrijven beginnen op je veertigste haalt ze Raymond Carver en John Berger aan als belangrijkste inspiratiebronnen:

Hoewel ik waardering kan opbrengen voor een mooi bedachte plot, gaat mijn liefde uit naar hun schijnbaar plotloze verhalen, moten uit het lijf van het leven gesneden met alleen subtiele verwijzingen naar kop en staart.

Het schrijven over de alledaagse tragiek vindt trouwens zijn oorsprong in haar eigen jeugd. Demeester groeit op in een typisch West-Vlaams, katholiek gezin uit de jaren 1950: “een heel veilig, maar erg verstikkend nest.”2  Door haar ouders wordt grote gehoorzaamheid gepredikt. Er is geen plaats voor wat zij als onfatsoenlijk gedrag beschouwen: niet ravotten, geen friet eten op straat in schooluniform; de dingen die jongens wél mogen. Over seks en politiek wordt nooit gepraat. Openlijk leren omgaan met conflicten heeft ze nooit gedaan, wat ongetwijfeld een van de redenen is waarom de revolte van haar personages onderhuids blijft.

Hoewel de verhalen hun oorsprong vinden in Demeesters eigen leven, is verbeelding voor haar heel belangrijk.”‘Voor mij is de uitdaging van het schrijven het plaatsen van wat in mij zit in een andere, zelfs voor mij onherkenbare kamer met onbekende mensen.”3 Dat iets anders ervan maken, is voor haar essentieel: “Ik heb die afstand nodig. Ik vermom mij.” In interviews verklaart Demeester meermaals dat in die vierenveertigjarige vrouw een jongen van veertien is blijven steken:

De puberteit is de leeftijd waarop het gebeurt; het ei barst voor de eerste keer open. Dan schrik je en je krijgt het koud als je ziet hoe het er allemaal aan toegaat. Maar het is ook opwindend om te zien dat het niet is zoals je werd voorgehouden. (…) Het [is het] soort milieu waaruit ik kom en waar de buitenwereld wordt afgeschermd door een rolluik waar vader en moeder de wereld op tekenen. Maar rond de puberteit gaat dat rolluik omhoog en zie je dat het niet klopt wat er op geschilderd staat.4

Maar eigenlijk is Demeester slechts matig geïnteresseerd in wat recensenten over haar werk schrijven, of die kritiek nou goed of slecht is:

Het lijkt wel een fundamentele menselijke behoefte, punten krijgen en punten geven, goede of slechte, en het zal wel allemaal te maken hebben met het feit dat wie zijn nek uitsteekt, erom vraagt aan zijn oren te worden getrokken (…). Wat ik in mijn korte auteursbestaan omtrent kritiek heb geleerd, is dat ze vaak weinig met het besproken werk te maken heeft, dat ze gewoon een genre op zich is, het nummer van de recensent. Het is zijn enige kans om zo fraai mogelijk duidelijk te maken hoe degelijk en streng zijn visie op ‘echte’ literatuur wel is.5

Zelf beschouwt Demeester zich niet als schrijfster: “Ik vind ‘schrijfster’ een woord dat niet bij me past. Ik wilde het nooit echt worden, ik ben begonnen te schrijven omdat ik werkloos ben. Banaler kan niet.”6 Vóór ze met schrijven begonnen was, was ze met honderd andere dingen bezig: ze had haar baantje in het onderwijs, ze militeerde bij Klein Links, ging naar vergaderingen, nam deel aan discussies, plakte affiches.

“Dat doe ik allemaal niet meer. Ik ben nu veel eenzamer, maar dat vind ik niet erg. Ik heb niet meer de behoefte om overal bij te horen. De wereld kan best zonder mij. Soms heb ik daar gewetensproblemen over, maar ik ben mijn geloof verloren en het schrijven is in de eerste plaats gekomen. Ik geloof echt in niets meer. (…) Ik probeer er in de eerste plaats voor mezelf het beste van te maken.”

Bovendien ergert Demeester zich mateloos aan het feit dat haar gevraagd wordt duidelijke politieke standpunten over bepaalde onderwerpen in te nemen, enkel omdat ze schrijfster is: “Mijn mening over abortus en racisme is niet plots belangrijk geworden na het schrijven van een reeks verhalen.” In een gesprek met De Standaard7 geeft ze te kennen dat ze niet het gevoel heeft iets of iemand te vertegenwoordigen: “Ik ben geen woordvoerster. Privé hou ik er standpunten op na. Maar die zijn niet belangrijker dan die van andere vrouwen.” Toen haar het jaar ervoor werd gevraagd deel te nemen aan een panelgesprek over schrijven als vrouw, had ze afgehaakt nadat men naar haar standpunten over feminisme vroeg.

Spreken over haar in de verleden tijd

Een hele tijd gaat het Demeester voor de wind: haar werk wordt positief onthaald en voor het eerst sinds haar huwelijk op de klippen liep, heeft ze een nieuwe partner. Ze verdeelt haar vrije tijd tussen Leuven en Brugge. En sinds november 1990 is ze opnieuw aan het werk als pedagoge. Maar enkele weken later, in het voorjaar van ’91, krijgt Demeester te horen dat ze aan kanker lijdt. Ze ziet zichzelf genoodzaakt thuis te blijven en zegt haar baan in het onderwijs op.

Ondanks haar ziekte werkt ze nog mee aan 3 Bic(s) en 1 PC, een initiatief van het Gentse Nieuwpoorttheater. Zelf zegt ze vol enthousiasme aan dit project gewerkt te hebben, het heeft de manier waarop ze tegen theater aankijkt veranderd. Maar schrijven valt haar steeds zwaarder. Wel houdt ze voor het tijdschrift Markant een maandelijkse column bij, ze schrijft er over de Derde Wereld en over seks na je veertigste. En over haar ziekte.

Sinds veertien maanden weet ik dat ik lijd aan wat men een levensbedreigende ziekte noemt. Uitputting en ontmoediging zijn net zo inherent aan kanker als tumoren en afwijkende bloedwaarden. Ondertussen laat ik me behandelen in een relatief klein ziekenhuis in de periferie. Er zijn geen medische wonderen gebeurd, maar de boot naar de dood is voorlopig wat verder afgehouden. Er zijn geen wonderen gebeurd en toch. Ik ben hier in de handen van artsen gevallen die mensen verzorgen en niet alleen tumoren.

Ze laat zich behandelen in een ziekenhuis in Genk, waar een van haar zussen woont, en niet in haar thuisstad Leuven. Hoewel Demeester begin 1993 aan een vriendin toevertrouwt dat ze nog steeds hoop op genezing heeft, gaat het fout. Ze sterft op 29 januari, op 46-jarige leeftijd, in het huis van haar zus. Ze wordt in Leuven begraven. Demeester laat twee dochters na.

In 1994 verschijnt postuum de verhalenbundel Land van belofte. Het meest beklijvende verhaal uit deze bundel is ongetwijfeld Nummer één, waarin een echtgenoot en zijn twee kinderen van de veertigste verjaardag van hun vrouw en moeder, die aan kanker lijdt, een onvergetelijk feest proberen te maken. Maar voor Rose is de strijd tegen kanker ook de strijd voor het behoud van de liefde. Want tussen haar en haar echtgenoot Simon ‘was een listig en vindingrijk kwaad geslopen.’

Rose is achterdochtig: ze verdenkt er haar man van niet langer van haar te houden, ondanks Simons steeds herhaalde protest dat zij voor hem, ondanks haar ziekte, nog steeds dezelfde persoon is als voorheen. Rose moedigt Simon aan plezier te maken, te dansen. Maar wanneer Simon Roses vriendin Laura ten dans vraagt, slingert Rose hem het verwijt toe dat hij niet eens zes maanden kan wachten om haar vriendin in huis te halen in de hoop haar te vervangen. Enkel Roses jongste dochter is niet op het feestje aanwezig, ze heeft namelijk een hekel aan mensen zoenen met wie ze verder niets te maken heeft:

Ze wil het zuiver houden, zegt ze, ze wil opkomen voor haar gevoelens. Dat recht heb ik toch, werpt ze op en ze wacht niet op een antwoord. Wat kan Rose zeggen? Dat zij op haar veertiende evenveel zuiverheid ambieerde en dat ze op haar veertigste vermoedt dat je met minder kunt leven?

Het verhaal laat de lezer ontsteld achter, ook zonder enige biografische voorkennis. Nummer één verhaalt op een indringende manier hoe mensen dichter bij elkaar proberen te komen, maar steeds weer tegen muren opbotsen.

In Land van belofte komen ook vaker volwassenen aan het woord, al is er nog steeds plaats voor kinderen. Kinderen die hun dromen uiteen zien vallen. En de volwassenen die nog steeds dromen, zijn zielig en mislukt op meer dan één vlak. De kinderen doorzien de idiotie van hun ouders: een werkloze vader die droomt over het mooie Canada, wordt door zijn kinderen uitgelachen. Om niet uit hun rol te vallen, houdt iedereen de schijn op. In Nummer één beseft Rose dat de genodigden haar met complimentjes overstelpen omdat ze gerustgesteld willen worden: “Vragen zijn altijd weer beleefd vertaalde angst.”

Naast  verhalen, een toneeltekst, en  Met schrijven beginnen op je veertigste, bevat de bundel nog enkele onafgewerkte verhalen, die aantonen dat Demeester op het eind bezig was een andere richting in te slaan: langere verhalen met meer personages in een veel complexere opstelling. Maar wat rest is stilte.

In 1995 verschijnt nog wel de bundel Verzamelde verhalen, net als de andere verhalenbundels uitgegeven door Kritak, met naast de eerder gepubliceerde teksten ook nog twee niet eerder gepubliceerde verhalen. Maar veel stof doet deze publicatie niet meer opwaaien. In 2008, vijftien jaar na het overlijden van Demeester, organiseert Behoud de Beheerte een herdenkingsavond, waar Kamiel Vanhole, Didi de Paris, Kristien Hemmerechts, Brigitte Raskin en Johan Vandenbroucke een persoonlijk eerbertoon aan de schrijfster brengen. Helaas is het sindsdien opnieuw stil rond Demeester, haar werk blijkt vergeten te zijn. Onterecht, want haar flinterdunne oeuvre is van een ontroerende schoonheid.

Anno 2016 lijkt het wellicht vervelend om ‘schijnbaar plotloze verhalen’ te moeten lezen. Schrijven over weerloze personages is ‘uit’. De passieve houding van Demeesters personages zou bij het jonge, zelfzekere publiek van nu vast geen weerklank vinden. De krampachtige manier waarop haar personages zich aan twijfel en zelfs berusting vastklampen, staat in schril contrast tot de anti-helden die in het werk van jonge, hedendaagse auteurs als Lize Spit van leer trekken en niet bij de pakken blijven zitten. En toch is stampvoeten in het donker voor velen de enig mogelijke vorm van protest. En dan heb je schrijvers als Rita Demeester nodig, die tonen hoe belangrijk het is om dromen na te jagen, ook wanneer achteraf alle moeite tevergeefs blijkt te zijn geweest.

‘Het is iets waar ik aan zal moeten wennen. Zoals aan spreken over haar in de verleden tijd.”8

  1. Jacques Kruithof, ‘Rimpelingen in stilstaand water’, Vrij Nederland, 4 mei 1991
  2. Johan Vandenbroucke, ‘De wereld op een rolluik’?, Knack, 13 maart 1991
  3. idem
  4. idem
  5. Humo, nr. 2721, 29 oktober 1992
  6. Leo de Haes, ‘De Debutant’, Trouw, 13 maart 1991
  7. Jan Lampo, ‘Leven is zich aanpassen’, De Standaard, 16 februari 1991
  8. Rita Demeester, ‘Krappe herinnering’, Kritak 1988. Later ook opgenomen in ‘Stampvoeten in het donker’ en ‘Verzameld werk’