‘De liefde is vaak een groot probleem’


interview door

‘Liefde maakt niet blind, liefde opent net de ogen.’ Alicja Gescinska verliet eventjes het pad van de filosofie om ‘Een soort van liefde’ te schrijven, een roman over een studente en een professor. ‘Dit is niet het ultieme boek over het onderwerp.’

Of het per mail kon, het interview, vroeg Gescinska. De filosofe, met Poolse roots maar verkocht aan Gent, woont en werkt momenteel in de Verenigde Staten.

Hoe komt het dat het thema van een jongere studente met een oudere professor zo sterk aanspreekt? Velen gingen u immers voor. Zegt het iets fundamenteels over de man-vrouwverhouding? De meester of de knecht?

“We denken vaak dat we kiezen wie we liefhebben. Maar ik vrees ervoor dat we in de liefde veel minder kiezen dan we graag willen geloven, en dat terwijl de ‘keuze’ voor een geliefde heel veel aspecten van ons eigen leven bepaalt. Om die irrationaliteit van de liefde aan te tonen, wou ik een relatie portretteren die niet voor de hand lag.”

“De verschillen tussen professor Ray en studente Anna zijn ontzettend groot. Ze worden gescheiden door bijna veertig levensjaren. Dat is niet niets, dat is een mensenleven. Ze hebben een andere achtergrond, andere afkomst, andere moedertaal, andere toekomstplannen en verwachtingen. Niets wijst erop dat net die twee mensen aangetrokken zouden worden tot elkaar en toch gebeurt het, bijna tegen hun eigen wil in.”

“Ik wou twee intelligente personages omdat het duidelijk moest zijn dat wat hen bindt meer is dan louter seksuele prikkels, hoe belangrijk die ook zijn. De academische wereld is daar een erg dankbare context voor. Om te beginnen ken ik die context van binnenuit. Er is een oude spanning tussen leraar en leerling. Het is ergens een oerverhaal. Dat zien we al bij Plato. De oude ervaren leraar met de jonge knaap. De ene heeft wijsheid, de ander de jeugdigheid. De geestelijke vonken die makkelijk in een lichamelijk vuur kunnen overgaan, brengen haast noodwendig moeilijkheden en problemen met zich mee.’

Anderzijds, u kiest in ‘Een soort van liefde’ voor het vrouwelijke personage.

“We zijn al gewoon om dat soort verhalen vanuit het mannelijk perspectief te lezen. De professor die terugkijkt op zijn leven en al zijn amoureuze affaires met zijn studenten. Hoeveel boeken van Philip Roth draaien rond dat thema? Ik vraag me af of hij die vraag ook krijgt, waarom hij zo’n oerthema aanhaalt en weer eens een oudere man laat opdraven die terugdenkt aan zijn jongere vrouwen en al zijn affaires. Natuurlijk heeft hij gelijk om erover te schrijven, het is geen uitvinding van de literatuur, het is het leven zelf en dat levert de beste literatuur op.”

U wil dat de lezer, na het lezen van uw boek, ‘anders naar de liefde’ gaat kijken. Waarom? Uit onvrede met de huidige gang van zaken?

“Mijn roman is geen statement over ons begrip van liefde, het is geen pleidooi voor of tegen liefde, of bepaalde opvattingen over de liefde. Hoe wij als samenleving naar de liefde kijken, weet ik niet. Ik vind niet dat je kan zeggen dat dé samenleving één visie heeft.”

Misschien hebben veel mensen een te rooskleurig beeld van de liefde

“Misschien hebben veel mensen een te rooskleurig beeld van de liefde, voor sommigen is het woord ‘liefde’ de remedie voor zowat alle persoonlijke en maatschappelijke problemen. Dat terwijl de liefde soms, of vaak, zelf een groot probleem is. De liefde wordt niet mooier door haar te verheerlijken.’

Tijdens de voorstelling van uw boek zei u dat u niet de ambitie had om het ‘ultieme boek over de liefde’ te schrijven. Welke ambitie koestert u dan wel?

“Ik geloof niet in ‘ultieme boeken’, niet in fictie, niet in non-fictie. Er is geen enkel thema waarover alles voor eens en voor altijd gezegd kan worden. Wat wel kan, is boeken schrijven die ons een beter begrip verschaffen over democratie, vrijheid, geopolitiek of liefde bijvoorbeeld. Enkele puzzelstukjes op tafel leggen en zien hoe ze in het geheel passen, en idealiter al iets van de horizon laten zien.’

Wat moet ik als lezer onthouden van uw boek?

“Er is geen moeten. De lezer moet niets van me. Het voornaamste is dat hij geniet tijdens het lezen van de roman, dat zowel zijn hart als geest beroerd worden. Als daarnaast nog bijkomt dat hij zo geraakt wordt door een van de personages en dat die bij hem blijft, zelfs jaren na de lezing van het boek, dan vind ik dat werkelijk prachtig.”

“Uiteraard heeft mijn roman ook een filosofische lading. Die ontwaren is geen absolute must, maar mocht een lezer anders naar liefde kijken, of zich bepaalde vragen stellen na lezing van het boek, dan maakt me dat gelukkig. Uiteindelijk is dat het hoogste wat je met filosofie en denken kan bereiken: mensen zelf aan het denken zetten en een heel klein beetje meer begrip over jezelf, de ander en de werkelijkheid creëren.”

Plaatst u zich in de lijn van Camus en Sartre, die ook filosofie in literaire vorm probeerden te vertellen?

“Dat hangt er van af van wat je onder ‘je op dezelfde lijn plaatsen als’ bedoelt. Net als Sartre en Camus ben ik een filosoof die zowel fictie als non-fictie schrijft. Een soort van liefde was geen eenmalige poging om mijn krachten op een ander domein uit te proberen. Het schrijven van fictie en non-fictie vormt nu eenmaal een geheel in mijn denken en doen.”

Ik plaats mezelf niet meteen in hetzelfde rijtje als Camus en Sartre

“In zekere zin heb ik niet eens het gevoel dat ik iets nieuws heb gedaan, maar dat ik gewoon doe wat ik altijd doe: lezen, denken en schrijven. Schrijven is nu eenmaal wat filosofen doen om hun gedachten te ordenen en in een groter raamwerk te plaatsen. Dat schrijven kan verschillende vormen aannemen: een academisch artikel, een opinie, een pamflet, een essay, een boek, een gedicht of een roman. Fictie schrijven is een onderdeel van hoe ik mijn gedachten vorm geef, en zal altijd een onderdeel van mijn schrijven blijven.”

“Dat gezegd, wil ik er ook meteen aan toevoegen dat ik me niet meteen in het zelfde rijtje zou plaatsen als Camus en Sartre. Beide hebben de Nobelprijs Literatuur toegewezen gekregen. Het zou dus ongepast hoogdravend zijn om me met een vanzelfsprekendheid in dat opzicht naast hen te plaatsen.”

Wanneer voelde u dat u klaar was om dit boek te schrijven? En gaat dit in de toekomst ook uw filosofisch denken en schrijven beïnvloeden?

“Ik stel me niet vaak de vraag of ik ergens klaar voor ben. Wat betekent het eigenlijk om ergens klaar voor te zijn? Mensen denken soms te vaak na over de vraag of ze ergens klaar voor zijn, en dan stellen ze hun leven uit. Ben ik klaar om op eigen benen te staan? Ben ik klaar voor kinderen? Ben ik klaar voor een nieuwe relatie? Dat weet je nooit zeker op voorhand en als je die zekerheid wel wil hebben, dan kan je er soms je hele leven op wachten.”

“Klaar of niet, ik probeer vooral te doen wat me onontbeerlijk lijkt. Ik moet lezen en schrijven want dit is hoe ik denk, en hoe ik denk is hoe ik leef. Als ik opsta stel ik me niet de vraag of ik klaar ben om Hegel te lezen. Ik neem Hegel vast en begin te lezen. Al lezende ontdek ik wel hoe dat gaat. Zo ook met schrijven. Ik zet me neer en schrijf. Dan zie ik: ik heb een hoofdstuk voor me, dan twee, vier, acht, enzovoort, tot je een roman hebt geschreven. Zo zal het altijd gaan.”

Welke filosofen hebben uw denken over liefde en relaties beïnvloed? En hoe?

“Max Scheler vooral. Het is een constante in de geschiedenis van de filosofie dat emoties gewantrouwd worden. Je ziet dat bij de stoa, bij Plato, bij Spinoza, bij Kant. Noem maar op. In het verlengde daarvan ligt de gedachte dat de liefde ons verblindt en het verstand verstomt. Een goed en vrij mens, is een mens die zich bevrijd weet van zijn affecten, die zich niet laat leiden of afleiden door zijn gevoelens.”

Bij Scheler is de liefde de beweging naar het goede zelf

“Dat emoties ook een moreel funderende rol kunnen spelen, is een vaak onderschatte visie. Dat was net een van de pijlers waarop de Duitse filosoof Max Scheler, waarop ik gepromoveerd ben, zijn denken heeft gebouwd. De mens is, ook in zijn moreel handelen, niet louter een rational animal of een ens cogitans, maar vooral een ens amans. Alles wat we denken, doen en willen wordt meegeregeerd door onze liefdeshuishouding, door wat we liefhebben en haten, en het hele spectrum daartussen.”

“De liefde is bij Scheler niet zomaar een emotie; het is de beweging naar het goede zelf. Ik denk dat daar wel iets voor te zeggen valt. Zijn de mensen voor wie we ons het meest inspannen, die het beste in ons naar boven halen, niet de mensen waarvan we het meeste houden? En zijn niet de mensen van wie we het meeste houden, ook de mensen die we het beste kennen? In die zin kun je dus beargumenteren dat liefde niet zozeer verblindt, maar net de ogen opent. Ik vind dat een mooie gedachte, al is de werkelijkheid ongetwijfeld nog complexer en meer ambivalent.”