‘Herinneringen zijn de enige troost in het heimwee naar elkaar’


interview door

Vanaf 8 januari ligt de herdruk van ‘Hoe heette de hoedenmaker?’, het romandebuut van Loekie Zvonik, in de winkelrekken. Die heruitgave hebben we te danken aan Wout Vlaeminck, die met het boek naar Uitgeverij Cossee stapte. Hij is verbonden aan de openbare bibliotheek van Brugge en Indruk-recensent. Bovendien is hij Zvoniks grootste pleitbezorger.

 

Waar komt je fascinatie voor Loekie Zvonik vandaan?

Wout Vlaeminck: “Toen ik jaren geleden in Gent studeerde leerde ik een jongen kennen die later zelfmoord beging. Zijn dood heeft een blijvende schaduw op mijn denken geworpen. Toen ik op een dag een exemplaar van ‘De hoedenmaker’ kreeg toegestopt, kon ik niet vermoeden dat het lezen ervan zo’n grote impact op me zou hebben. Mijn vriend was, net als het mannelijke hoofdpersonage in het boek, geobsedeerd door literatuur. Weliswaar zonder de destructieve ondertoon die in Zvoniks roman een steeds verstikkendere werking op Didier en Hermine uitoefent. Bovendien spelen de eerste paar hoofdstukken van het boek zich af in Gent; de poëtische beschrijvingen waarmee Zvonik zo accuraat gestalte geeft aan de melancholische sluier die boven de Arteveldestad hangt, treffen me telkens opnieuw. Maar het is niet enkel die herkenning die het boek voor mij zo bijzonder maakt. Al tijdens de eerste lezing van het boek valt op dat de rol van schrijfster Zvonik als gegoten zit. In een elegante, rustige schrijfstijl legt ze de wonden bloot die twee mensen elkaar in hun wanhoop toebrengen. In haar debuut goochelt ze met zoveel trefzekerheid met parallelstructuren, literaire verwijzingen en citaten alsof het een koud kunstje is.”
“Bovendien bewonder ik Zvonik ook om haar persoon, om haar nuchtere kijk op het leven. Iedereen die Zvonik van nabij heeft gekend lijkt het erover eens te zijn: Zvonik was een zachtmoedige, intelligente vrouw. Ze stierf relatief jong, ze was 65. Dat spijt me voor haar en voor de Nederlandstalige literatuur. En voor mezelf, natuurlijk. Het spijt me enorm dat ik haar nooit heb ontmoet. Wat ik vooral van Zvonik heb geleerd is dat het belangrijk is je herinneringen te cultiveren, tot ze groot en eeuwig worden. En dat de herinnering de enige troost is in het heimwee naar elkaar.”

Waarover gaat ‘De hoedenmaker’ en waarom verdient het boek een heruitgave?

Vlaeminck: “Dat ‘De hoedenmaker’ op autobiografische feiten berust is geen geheim. Zvonik schrijft over haar relatie met schrijver Dirk de Witte tijdens de laatste maanden van diens leven. Hermine (Zvonik zelf) en Didier (De Witte) ontmoeten elkaar aan de universiteit van Gent, beleven een kortstondige verliefdheid, maar verliezen elkaar al snel weer uit het oog. Twaalf jaar later ontmoeten ze elkaar opnieuw. Ze reizen samen naar een congres in Wenen, waar hun vroegere liefde opnieuw oplaait. Maar hun verhouding groeit al snel uit tot een grimmig spel van elkaar aantrekken en afstoten, waarbij de door zelfmoord  geobsedeerde Didier Hermine voor de keuze stelt: hem redden uit de noodlotsmythe die hij voor zichzelf heeft opgebouwd of samen met hem sterven.”
“Liefde en dood, zelfmoord en rouw, erg origineel is het natuurlijk niet. De literatuur wemelt van dat soort thema’s. We denken dan meteen aan Shakespeare, die de liefde en het leven op alle mogelijke manieren heeft bezongen. Of aan Rilke, die in ‘De hoedenmaker’ vaak geciteerd wordt. Of eigentijdser en dichter bij huis Connie Palmen en A.F.Th. van der Heijden. Zvonik blaast die constanten echter nieuw leven in door ze letterlijk tegenover de literatuurgeschiedenis te plaatsen. In ‘Hoe heette de hoedenmaker?’ verwijst Zvonik met grote regelmaat naar auteurs als Kafka, Hesse en Pavese. Dat doet ze om de door literatuur geobsedeerde Didier gestalte te geven. Zonder literatuur bleef er van Didier/Dirk de Witte immers niets meer over. Dat stelt haar ook in staat de kleinste details tot een gaaf en complex geheel te versmelten. De combinatie van literair vernuft en Zvoniks meeslepende, elegante schrijfstijl maken van ‘De hoedenmaker’ een verrassend modern boek.”

Hoe werd ‘Hoe heette de hoedenmaker?’ onthaald bij verschijning?

Vlaeminck: “Het boek kende meteen een groot succes. Zowel de literaire critici als het lezerspubliek waren het unaniem eens over de kwaliteit van het boek. Zvonik werd veelvuldig geïnterviewd voor krant en televisie, en het boek werd in 1976 met de Debuutprijs bekroond. Enkel mopperpot Georges Adé bleek niet overtuigd: hij vond dat Zvonik met de vele citaten en literaire verwijzingen vooral haar belezenheid had willen etaleren. Volgens mij heeft Adé het boek met één  oog dicht gelezen. Zonder verwijzingen en citaten geen personage Didier annex schrijver Dirk de Witte.”

Is ‘Hoe heette de hoedenmaker?’ Zvoniks beste werk?

Vlaeminck: “Hoewel ‘De hoedenmaker’ Zvoniks meest gelaagde en ook best ontvangen werk is, verdienen haar latere boeken ook een herontdekking. Zvoniks tweede roman, ‘Duizend jaar Thomas’, werd tweemaal bekroond, maar ‘De eerbied en de angst van Uri en Ima Bosch’, Zvoniks derde en tevens laatste boek, kon op weinig waardering rekenen. Geheel onterecht. Zvonik nam in die laatste roman wel meer afstand van het louter autobiografische karakter van haar debuut, maar ze is steeds met evenveel intelligentie en gevoeligheid blijven schrijven. Naast drie romans publiceerde Zvonik ook een handvol verhalen, waarvan slechts enkele in boekvorm zijn verschenen. Ook zij verdienen een heruitgave, samen met de enkele ongepubliceerd gebleven verhalen die zich in de nalatenschap van de schrijfster bevinden. Hoog tijd dat Loekie Zvonik opnieuw op het literaire podium gehesen wordt.”

Welk werk van hedendaagse auteurs vertoont gelijkenissen met dat van Zvonik?

Vlaeminck: “Een tweede Loekie Zvonik zal wellicht niet gauw vanuit de papieren coulissen tevoorschijn komen, maar dat hoeft ook niet. Raakvlakken tussen het werk van hedendaagse schrijvers en dat van Zvonik? Het engagement en de eruditie van Lieke Marsman, de intelligentie en de aan melancholie grenzende gevoeligheid van Alicja Gescinska, de literaire verwijzingen in het debuut van Emy Koopman. Of de manier waarop auteurs als Mustafa Korr en Aya Sabi de Nederlandse literatuur verrijken met verhalen die hun oorsprong vinden in een leefwereld die verschilt van de Westerse. Zvonik had namelijk Tsjechische roots, verwijzingen naar haar afkomst zijn legio in haar drie romans. Daarnaast beschouwt schrijver en essayist Luuk Gruwez Loekie Zvonik als  zijn literaire moeder en liet ‘Hoe heette de hoedenmaker?’ Margot Vanderstraeten van een carrière als schrijfster dromen.”

Zijn er nog andere boeken van Nederlandstalige auteurs die volgens jou een heruitgave verdienen?

Vlaeminck: “Het werk van schrijfster en filosofe Patricia de Martelaere  moet dringend weer in druk verschijnen. De Martelaere had een unieke stem; haar boeken verschillen onderling enorm van elkaar, maar twee constanten in haar werk zijn de intelligentie en de mensvoelendheid waarmee ze schreef.  Slechts één of twee van haar boeken zijn nog steeds leverbaar. Hoewel er in bibliotheken en boekhandels voortdurend vraag is naar haar werk, wordt daar van uitgeverszijde niets mee gedaan. Erg jammer. Maarten Goethals wees me op het werk van twee schrijvers wiens naam nog maar bij weinig mensen een belletje doen rinkelen. De eerste is Maurice D’Haese, wie in 1953 de Arkprijs van het Vrije Woord werd toegekend, maar die al bij leven in de vergeethoek is geraakt. Zijn proza houdt het midden tussen dat van Kafka en Camus en is het lezen nog steeds meer dan waard. De tweede is Paul Brondeel, die met ‘Ik, blanke kaffer’ een antwoord heeft willen schrijven op de Kongo-romans van Jef Geeraerts. Een boek dat slechts met grote moeite nog te vinden is, en enkel tweedehands.”