audio-fragment

‘Zelfs als we verdwijnen, willen we gezien worden’

()
interview door

Antwerps stadsdichter Maarten Inghels schippert meer dan ooit tussen de wil om gezien te worden en de drang om te verdwijnen. “Als stadsdichter wil ik twee jaar lang gedichten laten inbreken in het leven van de Antwerpenaar. Tegelijkertijd herken ik me in twintigers die zich maandenlang opsluiten in hun slaapkamer.”

Op een zaterdag omstreeks het middaguur wandelt Maarten Inghels, mooi in het pak, een Irish Pub in de Antwerpse stationsbuurt binnen. De avond voordien stond hij nog met Saint Amour op het podium van de Gentse Vooruit, na het interview zal Inghels doorreizen naar het Nederlandse Heerlen.

De literaire tournee en de aandacht omtrent zijn aanstelling als stadsdichter maken dat de jonge dichter vermoeiende weken achter de rug heeft. “Ik had de zwaarte van de literaire tournee een beetje onderschat,” klinkt het haast verontschuldigend.

Inghels wikt en weegt zijn woorden en onderbreekt zijn antwoorden soms middenin een zin om op zoek te gaan naar een betere formulering, maar na twee koffies vertelt hij honderduit over Nieuwe rituelen, zijn bundel die eind september 2015 verscheen.

“Ik heb op voorhand nooit een idee waar mijn volgende dichtbundel over zal gaan,” zegt Inghels. “Gaandeweg, als je een aantal gedichten hebt geschreven, merk je wel welke thema’s terugkomen. Halverwege komt er plots een titel in me op en weet ik waarover de bundel moet gaan. Daarop schrijf ik verder en zo kom ik tot een eindresultaat.”

Nieuwe rituelen is uiteindelijk een heel persoonlijke bundel geworden – er staan veel gedichten in over mezelf, vrienden en kennissen. Tegelijkertijd heb ik geprobeerd om de condition humaine weer te geven in een moderne, eigentijdse versie.”

fotograaf: Michiel

fotograaf: Michiel Leen

Die condition humaine uit zich volgens de eerste beweging van je bundel in de drang om gezien te worden.

“In alles wat wij doen, vragen wij om aandacht. Facebook is daarvoor het medium bij uitstek. We gooien al dan niet gewild onze privacy op straat.”

“We keren ons op sociale media helemaal binnenstebuiten. Soms lijkt het alsof we de noodzaak voelen om te biechten. In ‘Knielen en Biechten’ schrijf ik ‘Iedereen dekt netjes het altaar voor zichzelf. / Wij willen knielen en biechten (x drie).’”

Dat klinkt spiritueel.

“Onlangs las ik een artikel over het boeddhisme. Die leer onderscheidt een aantal menselijke begeertes of verlangens. De twee belangrijkste zijn enerzijds de begeerte om gezien te worden, geliefd te zijn, de menselijke nabijheid op te zoeken, prestaties te verrichten en iets te verwezenlijken, en anderzijds de drang om onzichtbaar te zijn en te verdwijnen. In de meest extreme vorm leidt dat laatste tot een soort van doodsdrift, bijvoorbeeld in de vorm van euthanasie of zelfmoord.”

“Die thema’s komen op precies dezelfde manier terug in mijn bundel. Het openingsgedicht gaat over het verlangen om gezien te worden en de bundel eindigt met het verlangen om er niet te zijn. Zelf schipper ik constant tussen die twee uitersten.”

De drang om te verdwijnen verbind je met de vlucht naar de natuur.

“Op residentie voor het kunstenfestival Watou schreef ik het gedicht Loop een leven om. Het begint met de vraag: ‘Wat als de stad mij zou verlaten?’ De natuur scherpt de geest op een andere manier dan de stad. Ik kan daar enorm naar verlangen.”

“Denk maar aan de film Into the Wild, waarin de natuur een plek is om te verdwijnen en tot stilstand te komen. Chris McCandless liet de stad en alle wereldlijke besognes achter zich, versnipperde zijn identiteitskaart, knipte zijn credit card in twee, doneerde zijn geld aan goede doelen en ging een tijdje liften. Het was zijn wens om in de natuur te overleven. Een naïef idee, dat hij met de dood bekocht. Door het romantisch verlangen en de doodsdrift heeft die film veel indruk op mij gemaakt, en wellicht op veel mensen van mijn generatie.”

Erg oprecht klinkt die drang om te verdwijnen niet. In ‘de kunst van het verdwijnen’ schrijf je: “Op het overvolle marktplein liep iemand / door een megafoon te schreeuwen om / in vredesnaam te worden vergeten.”

“Het personage plakt in dat gedicht zelfs posters op om de aandacht te vestigen op zijn ingestudeerde einde. Als mensen hun Facebook een tijdje laten voor wat het is, kondigen ze dat ook aan. Zelfs als wij verdwijnen, willen we gezien worden.”

“Een tijdje geleden las ik de novelle Een bijna volmaakte vriendschap van de Duitse schrijfster Milena Michiko Flasar  over hikikomori, een Japans fenomeen waarbij jongeren zich gedurende enkele maanden, soms zelfs jaren, opsluiten in hun slaapkamer. Meestal zijn het twintigers, die de maatschappij en de druk van buitenaf niet aan kunnen. Dat vind ik vrij herkenbaar.”

Iets anders. Je zou Nieuwe rituelen kunnen beschouwen als een geëngageerde dichtbund…

(onderbreekt) De ene recensent vond de bundel prekerig, de andere niet.”

Geëngageerd en prekerig zijn toch niet per se synoniemen van elkaar?

“Ik schrijf over de werkelijkheid zoals die mij vandaag voorkomt. In Nieuwe rituelen roep ik niemand op om iets te doen.”

“Misschien heeft het te maken met mijn werk voor De Eenzame Uitvaart (een sociaal-literair project waarbij dichters eenzaam gestorvenen begeleiden naar hun laatste rustplaats, red.), waarvoor ik effectief een engagement aanga met de samenleving.”

In het gedicht over je buren duiken er via het radionieuws wel ‘radeloze vlotmigranten’ op, en in ‘Wij zijn hier niet nieuw’ krijgt je eigen generatie een stevige veeg uit de pan.

“In dat gedicht fileer ik mezelf en mijn zeven vrienden. Alle mensen van mijn generatie kunnen er bij wijze van spreken wel een regel uit halen die op hen van toepassing is. Misschien is dat kritisch, maar wij zijn ook best verward. Ik wou vooral laten zien dat we het soms allemaal niet zo goed weten. Er is een reden waarom mijn zeven vrienden naar de psycholoog gaan. Maar het komt wel goed, denk ik. Hoop ik.”

“Ik schrik er wel van dat dergelijke gedichten een bundel meteen geëngageerd maken. Terwijl dit net mijn meest persoonlijke bundel tot nog toe is.”

Zullen we het even over de stijl hebben? De terzine is alomtegenwoordig in de bundel.

“Bij een aantal gedichten worstelde ik met de vorm, tot ik de terzine ontdekte. In principe is het gewoon een malle vorm waar je naartoe kunt schrijven. Ze dwingt je tot creatieve oplossingen en helpt om een groter geheel te creëren in de bundel.”

Nieuwe rituelen is een heel gecondenseerde bundel, waarin veel beelden vervat zijn. De terzine dient om extra ademruimte aan de lezer te geven. Als alle dichtregels tegen elkaar plakken, krijgt de lezer geen zuurstof.”

In de liefdesgedichten in de tweede cyclus leg je jezelf wel erg zware vormvereisten op.

“Die reeks heb ik enkele jaren geleden geschreven, maar in vrije versvorm. Plots voelde ik die noodzaak voor een meer klassieke methode. Uiteindelijk heb ik de hele liefdesreeks herschreven naar vijfvoetige jamben, met een rijm op die laatste twee regels.”

Is dat een manier om jezelf uit te dagen?

“Ik heb altijd met veel bewondering naar dichters als Gerrit Komrij of Menno Wigman gekeken: zij beheersen de klassieke dichtvormen.”

“Menno Wigman vergelijkt vormvast schrijven met het leggen van een straat. Hij verzamelt kasseien, woorden dus, en eens hij begint te schrijven, moet hij die kasseien in een vast stramien in de juiste volgorde leggen. Je kunt geen kasseien door elkaar husselen. Poëzie is net zo een ambacht.”

“Ik zoek meer en meer de vaste versvorm op, het is een goede manier om je pen aan te scherpen. Vergelijk het met het oplossen van een puzzel. Als je een juiste oplossing gevonden hebt, ben je erg tevreden. Er zit nog wel een vormvaste bundel in mij, zoals de sonnettenkrans Giro Giro Tondo van Ilja Leonard Pfeijffer.”

In Nieuwe rituelen is de stad erg aanwezig. Heb je nog niet te veel kruit verschoten voor het stadsdichterschap?

“(lacht) Na het afronden van de bundel had ik het gevoel dat ik even klaar was met het schrijven van poëzie. Je hebt een boek geschreven, het is gepresenteerd, je geeft interviews, het is genomineerd, … Op een bepaald moment wil je gewoon verdwijnen en aan een nieuw boek werken in de luwte.”

“Maar ik ben nog lang niet uitgeschreven over Antwerpen. De stad als decor voor onze levens is een thema in mijn werk. Het is schitterend dat ik nu twee jaar lang ondersteuning krijg om dat thema verder uit te diepen.”

Welke accenten wil jij leggen als stadsdichter?

“Als je zegt dat je stadsdichter bent, begint iedereen over het gedicht van Tom Lanoye dat op de Boerentoren hing, maar zoiets ben ik niet meteen van plan. Ik wil mijn gedichten op alternatieve manieren laten inbreken in het leven van de Antwerpenaar. Ik ben op zoek naar nieuwe vormen of voorwerpen om poëzie onder de mensen te brengen. Zo is het eerste voorwerp bij het eerste stadsgedicht een visitekaartje dat op onverwachte momenten zal worden verspreid. Op het visitekaartje staat het telefoonnummer 03/369.78.88 waarop ik 24/24 en 7/7 bereikbaar ben. Test maar uit.”

Ben je al bekomen van het relletje na je open brief in Knack bij de start van je stadsdichterschap? De schepen van Cultuur was not amused.

“In het eerste deel van de brief vroeg ik aan de burgemeester of hij van poëzie houdt – al bij al een onschuldige vraag. Maar een brief moet literair ook interessant zijn, het moet een beetje speels en polemisch zijn, en liefst met enkele humoristische kwinkslagen. Maar die heisa had ik niet verwacht.” 

Wellicht werd de verwijzing naar de ‘Bezette Stad’ niet overal op gejuich onthaald.

(zucht) Dat was een aanleiding om de link met poëzie te leggen. Het was een rijk geschakeerde brief, waarin iedereen wel iets anders las. En plots wordt de kop op enkele krantensites: ‘Stadsdichter is tegen militairen’.”

“Het is een feit dat we honderd jaar na Van Ostaijen plots weer soldaten in het straatbeeld hebben. Natuurlijk van een totaal andere orde dan waarin hij Bezette Stad schreef, maar de hyperbool is nu eenmaal een weinig subtiele stijlfiguur.”

Ga je in de toekomst meer op je tellen letten?

“Het is toch al verkorven (lacht).

“Is het niet vreemd dat men opschrikt van een kunstenaar die over de samenleving schrijft? Dat is toch net de opdracht van de stadsdichter? Als dat al niet meer mag, moeten ze geen kunstenaar aanstellen, maar een copywriter.”