Een essaybundel met een pointe

Vijf sterren voor de gaarkeuken ()
recensie door in

Vijf sterren voor de gaarkeuken van Wessel te Gussinklo is een vreemd boek. De verschillende essays in de bundel verplichten een lezer ertoe zijn of haar waardering voortdurend bij te sturen. Het eerste deel wekt verwachtingen die in het deel daarna resoluut omgebogen worden, waardoor de inhoud van het derde deel weer op een aparte manier verschijnt.

Geen gesneden koek dus voor een recensent. In een poging het werk toch op een adequate manier te bespreken, haal ik even een oud genre van onder het stof: het leeservaringsverslag. Op de middelbare school die ik vroeger frequenteerde, schreven we geen recensies over de gelezen boeken. Het lerarenkorps geloofde graag dat een stapsgewijze analyse een optimaler inzicht bood in de literaire belevenissen (en belezenheid) van de pupillen. Ondanks de onfrisse geur, volgt hier dus een verse toepassing.

Vijf sterren opent met een klein kunstwerkje getiteld ‘Netsjajev’. Te Gussinklo hervertelt er een scène uit Boze geesten en herinnert de lezer eraan dat Dostojewski in 1870 al het bloedbad van het totalitaire communisme voorspeld had. In wat volgt, zoomt Te Gusskinklo in op Netsjajev, de nihilistische anarchist naar wie Dostojewski zijn hoofdpersonage modelleerde. Hij hanteert daarvoor de zoekende stijl die we uit zijn eerdere werk kennen: overal verschijnen extra zinnen tussen haakjes, gedachtestreepjes en puntkomma’s. Te Gussinklo wikt en weegt zo het anarchistische gedachtegoed van Netsjajev. De totale vernietiging die de man nastreefde is, oordeelt hij uiteindelijk – op rationele gronden – onwenselijk. Naast deze politieke denkoefening bekijkt Te Gussinklo de figuur ook op een persoonlijker niveau: hij vergelijkt diens destructiedrang met de absolute verlangens van een puber, waardoor hij uiteindelijk een zeker medeleven met de man voelt.

In de daaropvolgende essays past Te Gussinklo zijn snedige, maar genuanceerde analyses toe op andere onderwerpen: het succes van Pim Fortuyn, de blijvende opsluiting van de Twee van Breda, de vermeende krankzinnigheid van Hitler. Hij spreekt zich in veel van die stukken uit tegen vooringenomen manieren van denken: “Als men te eenzijdig of te heftig het één nastreeft dringt het tegengestelde zich juist sterker op.”

“Braaf, niets dan braaf met als enige boodschap: vrede.”

Na dit alles volgen plotsklaps drie essays waarin Te Gussinklo de zonet geciteerde wijsheid geheel terzijde schuift. In het eerste, ‘De adderkluwen’, omschrijft hij de Israëlische politiek van de voorbije vijftig jaar zonder ironie als: “Braaf, niets dan braaf met als enige boodschap: vrede.” De auteur betreurt het verder dat de Palestijnen niet massaal verhuizen. De onderliggende premisse dat Israël het rechtmatige land van alleen de Joden zou zijn, wordt nooit expliciet gemaakt, noch beargumenteerd. Dergelijke opvattingen vallen te verklaren door Te Gussinklo’s Joodse afkomst; niettemin blijft het opmerkelijk dat de auteur zijn inlevende en tegelijk rationele benadering niet aanhoudt als het over deze kwesties gaat. Ook in de essays ‘De blinddoek’ en ‘Brief aan mijn apotheker’, grossiert Te Gussinklo in polariserende standpunten. Zo zou iedere vrouw met een hoofddoek steun betuigen aan de “radicalen en beestmensen” die in naam van de islam terreur zaaien. Dat het hier niet om één geloofscollectief, maar om heel verschillende groepen mensen gaat, schijnt niet eens bij hem op te komen. Een meer genuanceerde taal en positionering zijn net voor deze kwesties hoogst noodzakelijk, dus het is jammer dat Te Gussinklo zijn pen er niet voor wil lenen.

De auteur eindigt met het titelstuk waarin hij de mediocriteit van de recente literatuur en het verschil met vroegere meesterwerken bestudeert.

Maar daarna gaat het enkel nog over literatuur. In de laatste essays van het boek analyseert Te Gussinklo op heerlijke wijze het werk van Reve, Mulisch, Vestdijk en anderen. De auteur eindigt met het titelstuk waarin hij de mediocriteit van de recente literatuur en het verschil met vroegere meesterwerken bestudeert. Hij wijst naar de verbreding van het lezerspubliek als de belangrijkste groeibodem voor het Connie Palmen-achtige “doelgroepproza zonder tanden, zonder hoekigheden, zonder iets gewaagds of verrassends.” Ook hier neemt hij een radicale positie in: “Geen begrip, geen mededogen.” Zelfs al zouden de verdunde werkjes op “babbeltoon” allerlei literaire nieuwigheden mogelijk maken, toch zegt Te Gussinklo liever vast te houden aan de geraffineerde stijl en composities van het hier net genoemde rijtje auteurs. Hij wil “vechten in de laatste loopgraven van de dingen die [z]ijn hart hebben” – maar in de literatuur heeft dat gelukkig minder destructieve gevolgen dan op het wereldtoneel.

Vijf sterren voor de gaarkeuken lijkt haast een verhaal, met daarin wrange wendingen en saillante voorvallen. Een lezer hoeft niet met elke stellingname akkoord te gaan om Te Gussinklo’s meanderende redeneringen te waarderen, meer dan eender welk soort doelgroepproza.

Vijf sterren voor de gaarkeuken
Jaar van uitgave: 2016 Categorie:
Uitgever: Uitgeverij Koppernik Bladzijden: 160 Vijf sterren voor de gaarkeuken