Een soort van filosofie

Een soort van liefde ()
recensie door in

Sartre, Camus, De Beauvoir, Voltaire: allemaal filosofen die zich ook aan fictie waagden. Filosofe Alicja Gescinska, treedt in hun voetsporen en bracht met ‘Een soort van liefde’ haar eerste roman uit. Kunnen sommige diepe vraagstukken beter in fictie behandeld worden? En ligt het medium roman de filosofe Gescinska?

Gescinska (°1981) brak in 2011 met zwier uit de academische cirkels en sprak een breed publiek aan met haar De verovering van de vrijheid, een leesbare zoektocht naar een nieuwe vorm van vrijheid: te veel vrijheid eindigt volgens haar immers al te vaak in luiheid en voortdurende aarzeling. Die boodschap resoneerde pijnlijk bij grote troepen jonge mensen, die zijn opgegroeid in de veilige zekerheid dat ze alles kunnen doen wat ze maar willen, een zee van mogelijkheden waarin het makkelijk verdrinken is.

In Een soort van liefde onderzoekt Gescinska een heel andere vraag. Wie heeft niet ooit in opperste romantische vertwijfeling uitgeroepen: “Wat is liefde?” Om daar een antwoord op te vinden, meer zelfs, om “de aard van zuivere, pure liefde” te vatten, schreef Gescinska naar eigen zeggen een roman. Omdat “je in een roman de vrijheid hebt om vragen te stellen zonder antwoorden te moeten geven. Als je een filosofisch werk schrijft, wordt toch verwacht dat je antwoorden geeft. In een roman mag je om de vragen heen blijven cirkelen.” Wat krijg je als lezer mee van dat verhalend cirkelen rond de hete brij?

Veel, is mijn ervaring. De enkele fictiewerken die ik las van filosofen zijn me meer bij gebleven dan hun filosofische traktaten. Door de romans van Camus, pijnlijke vuisten in een volle maag, heb ik de rauwe leegheid van het existentialisme veel betere leren begrijpen dan door moeizaam ploeteren door een dense tekst van Sartre. Of neem nu Le deuxième sexe van Simone De Beauvoir: haar analyses van de ondergeschikte rol van de vrouw snijden nog steeds hout, maar het boek zelf is bijwijlen onleesbaar. Het was met haar romans De mandarijnen of Misverstand in Moskou, dat ze me echt liet voelen hoe seksisme tot diep in de geniepigste hoekjes van onze sociale wereld is gekropen. Tegelijk is ze in haar boeken veel genuanceerder dan in haar traktaten: ze zet zowel haar mannelijke als haar vrouwelijke personages vlijmscherp maar met veel mededogen neer, beide seksen zijn zowel slachtoffer van als niet-onschuldige actoren in een seksistische, onbarmhartige wereld. Door haar romans ben ik voorvallen uit mijn eigen leven op een andere manier gaan bekijken. Met nogal strak gespannen verwachtingen begon ik dus te lezen in Gescinska’s roman.

Het boek is opgesplitst in twee verhaallijnen die alsmaar dichter bij elkaar gaan lopen. Er is Elisabeth, een psychologe uit het Amerikaanse Amherst, die van haar eigen liefdesleven een boeltje maakt: zij verliest haar vader, die ze niet goed kende en misschien zelfs niet heel graag mocht. Toch doet zijn dood wat met haar, al is het maar omdat ze op haar eentje de erfenis moet afhandelen. En is Anna, een Belgische studente, die in de eerste persoon mag mijmeren over haar studiejaar aan Amherst College, lang geleden. Ze duikt van het ene bed in het andere, tot ze valt voor de onweerstaanbare maar ontzettend veel oudere professor Raymond.

Dat alles leest vlot weg. In haar taal flirt Gescinska soms gevaarlijk met clichés uit de vrouwenbladen-psychologie, genre: ‘woorden laat ze als een haperende plaat in haar hoofd afspelen’, ‘ik heb me jaren maar een half mens gevoeld’, of ‘op de automatische piloot spreken’. Maar dat compenseert ze met haar scherpe blik voor details. Ze weet scènes tot leven te brengen, door een beschrijving van welke kleren de personages dragen of kleine verwijzingen naar hun leven buiten de verhaallijn.

De verhouding die Gescinska heeft gefabriceerd, is te banaal

Maar: brengt dit relaas van een passionele affaire en een problematische vader-dochter-verhouding me op een filosofisch niveau nu iets bij over de aard van de liefde? Ik weet het niet. Daarvoor is de verhouding die Gescinska gefabriceerd heeft te banaal: wie kent geen studente die voor haar -tig jaren oudere maar oh-zo charismatische prof is gevallen? En wanneer loopt zoiets ooit goed af? Jazeker, de personages twijfelen en doen twijfelen over de zuiverheid van hun liefde voor elkaar. Is het meer dan seks? Geen idee. Weten ze zelf überhaupt of het meer dan seks is? Het boeit me niet.

‘Zo moet ook de lezer bij Een soort van liefde blijven nadenken, om zich ten slotte af te vragen wat de liefde nu eigenlijk is,’ aldus Gescinska.

De enige vraag die ik me aldoor bleef stellen, was van een heel andere aard: waarom blijven literatoren, van Nabokov over Coetzee tot Franzen en recent nog Bregje Hofstede, zo gefascineerd door verhoudingen tussen een aanzienlijk veel oudere (en vaak machtigere) man met een piepjonge vrouw? Omdat ze het in hun eigen omgeving ook vaak genoeg zien gebeuren, vermoedelijk. Maar waarom slagen ze er nooit in om een waarlijk interessant licht te werpen op die gegenderde leeftijdskloof? Wat doet rimpelige mannen met aanzien zo oplichten, dat mooie jonge vrouwen er en massa rond blijven cirkelen? Is het de bezwerende glans van hun ego? De hoop dat iets van de kennis en het aanzien van hun minnaars aan hen blijft kleven? De opwinding gezièn te worden, door iemand die ertoe doet? Vragen die ook Gescinska, tot mijn teleurstelling, niet opwerpt.

Als ik van Een soort van liefde iets over de liefde heb geleerd, is het wel dat ik te zeer een droogkloot ben om me zonder meer te laten meedrijven op een romantisch verhaal. En dat ik in het geheel niet op aanzienlijk veel oudere mannen val. Inzichten waar ik, bij nader inzien, toch iets mee kan. Misschien is Gescinska dan toch in haar opzet geslaagd.

Een soort van liefde
Jaar van uitgave: 2016 Categorie:
Uitgever: De Bezige Bij Bladzijden: 236