Oorlogsgeschiedenis, nieuwe stijl

Gevangenissen in oorlogstijd 1940-1945 ()
recensie door in

De combinatie gevangenissen en Tweede Wereldoorlog doet een huiveringwekkende martelgeschiedenis vermoeden. Ralf Futselaar toont echter aan dat de Nederlandse gevangenissen deel uitmaakten van de Duitse repressie en tegelijkertijd een relatief veilige haven konden bieden voor verzetsmensen.

Futselaar, onderzoeker bij het NIOD (instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies), stelt dat er de Nederlandse geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog maar weinig aandacht heeft voor ‘gewone mensen’. Met dit voor een groot publiek toegankelijke boek, waarin gevangenisbewaarders een hoofdrol spelen, wil hij een deel van dat gat dichten.

Hij presenteert de bewakers niet zozeer als doorsnee Nederlanders, maar wel als mensen die ondanks hun werk in functie van de bezettingsmacht vooral voor opgepakte verzetsmensen het leven in gevangenschap draaglijker – en soms ronduit prettig – maakten. Door deze nadruk op ambivalentie omzeilt Futselaar de kwestie van ‘goed’ of ‘fout’, iets wat traditionele onderzoekers, waaronder ‘geschiedschrijver des vaderlands’ Loe de Jong, vaak niet lukt. Ook de aandacht voor de minder rampzalige kanten van de bezettingsgeschiedenis is verfrissend, zonder de ernst van de situatie te bagatelliseren.

Toegegeven: de omstandigheden in de gevangenissen worden naarmate de bezetting langer duurt steeds slechter. Er zijn steeds meer gevangenen en er is steeds minder eten. Toch probeert het gevangenispersoneel er het beste van te maken. Vooral de door Duitse autoriteiten gevangengenomen verzetsmensen profiteren daarvan: de bewakers geven hen meer eten, maken een vriendelijk praatje en geven stiekem post of pakketjes door. Ze komen daar vrijwel altijd mee weg omdat in de afgesloten gevangeniswereld over het algemeen veel loyaliteit heerst onder collega’s.

Ook van bewakers die lid zijn van collaboratiepartijen krijgen verzetsmensen trouwens een voorkeursbehandeling, want in de gevangenis praat men niet over politiek. De bezetter en sommige collaborateurs beogen een hervorming van de gevangenissen naar Duits model – streng en militaristisch –, maar daar komt niets van terecht. De Nederlandse gevangenissen doen in weinig denken aan de Duitse strafinrichtingen, waar mishandeling, ondervoeding en sterfte schering en inslag zijn.

Futselaar slaagt erin om ‘de oorlog’ uit zijn isolement te tillen en toont aan dat de bezettingstijd geen eiland in de Nederlandse gevangenisgeschiedenis vormt. De bezetting maakt in het gevangeniswezen zelfs een aantal hervormingen mogelijk. Een voorbeeld is het verdwijnen van de eenzame opsluiting. Na een tijd alleen in de cel, zo denkt men in de negentiende eeuw, “zouden de criminelen uiteindelijk tot inkeer komen en als herboren, berouwvolle maar moreel rechtschapen mensen in de samenleving terugkeren.”

Aan het begin van de twintigste eeuw juicht men dit principe niet meer toe, maar toch blijft het de norm. De Duitse bezetting maakt daar een einde aan. Door de explosieve stijging van het aantal gevangenen is het al snel niet meer vol te houden om iedereen alleen in een cel op te sluiten. Wegens ruimtegebrek sterft de eenzame opsluiting in de Nederlandse gevangenissen een stille dood om ook na de bevrijding niet meer terug te keren. Zo heeft de oorlog ook grote gevolgen voor de ‘gewone’ criminelen die na 1945 hun straf moeten uitzitten.

Uit dit boek blijkt dat op basis van gevangenisarchieven heel goed een sociale geschiedenis van het gevangeniswezen in bezettingstijd te schrijven is. Dat is verrassend omdat gerechtelijk bronnenmateriaal vaak niet of slecht bewaard is gebleven of lange tijd moeilijk toegankelijk was voor onderzoekers. Toch krijgt de lezer af en toe de indruk dat er weinig bronnen voor handen waren, bijvoorbeeld wanneer Futselaar vrij uitgebreid ingaat op interneringscentra die strikt gezien geen deel uitmaken van het Nederlandse gevangeniswezen, zoals Kamp Erika.

Hoewel hij vermeldt dat de Nederlandse en Duitse strafrechtspleging hier door elkaar lopen, had de auteur duidelijker kunnen verantwoorden waarom hij deze niet-gevangenissen meeneemt in zijn onderzoek. Anderzijds is hij creatief geweest met het beschikbare materiaal. Aan het eind van ieder hoofdstuk (dat steeds één oorlogsjaar beslaat) beschrijft Futselaar bijvoorbeeld de kerstvieringen in de gevangenissen. Dit geeft een leuk inkijkje in het dagelijks leven van de gevangenen en bewakers, dat ondanks alles soms bijna normaal is, en toont tegelijkertijd het verloop van de bezettingssituatie. Terwijl men eind 1940 in de gevangenissen nog volop kerstbomen versiert en gebak eet, is er vier jaar later geen extra eten meer en op sommige plaatsen zelfs geen kerstkoor.

Uiteindelijk is Futselaar er zeer goed in geslaagd om het ambigue onderwerp van het gevangeniswezen op heldere wijze te analyseren, zonder in de voor de hand liggende vallen te trappen. Hij overstijgt belegen classificaties als ‘goed’ of ‘fout’ door de nuance te zoeken en laat zien welke invloed de bezettingstijd heeft gehad op de algemene ontwikkelingen in het Nederlandse gevangeniswezen in de twintigste eeuw. Door Futselaars luchtige schrijfstijl en oog voor ironische en grappige situaties in de verder toch niet uitermate vrolijke gevangeniswereld is dit een zeer goed leesbaar boek. Het is een voorbeeld van oorlogsgeschiedenis ‘nieuwe stijl’, in de beste betekenis van het woord.

Gevangenissen in oorlogstijd 1940-1945
Jaar van uitgave: 2015 Categorie:
Uitgever: Boom Bladzijden: 268