Poëzie op platvoeten

Praat maar vol, jongens ()
recensie door in

Er schuilt gevaar in het op schrift stellen van het gesproken woord. We hebben het dan niet per se over religieuze bronteksten die bij momenten ronduit gevaarlijk zijn. Ook andere vormen durven op papier teleur te stellen. Van de meeste liedjesteksten blijft niets over, theaterteksten moeten al heel sterk zijn en improvisatie is door de band genomen reddeloos verloren. Dachten wij. Tot we Praat maar vol, jongens lazen, de neergeschreven verslaggeving van de Olympische wegrit in Rio de Janeiro.

Wielerliteratuur is een van de grootste disciplines in de letterkunde. Het heeft indertijd geen haar gescheeld of een klassiek wielerboek was Olympisch kampioen geworden. Te midden der kampioenen, het in 1929 verschenen boek over sprinter Jacques van Egmond door de Nederlander Joris Van den Bergh, voldeed echter niet aan de vormvereisten in deze periode waarin ook kunstwerken Olympische medailles wonnen en pakte dus naast de prijzen. Moest er voor wielerverslaggeving een prijs bestaan, de Vlaamse omroep haalde ze moeiteloos binnen.

Praat maar vol, jongens getuigt van het vakmanschap van de peetvaders der Vlaamse wielercommentatoren, Michel Wuyts en José De Cauwer. Ruim zes uur volpraten met enkel wielrenners in beeld vergt oefening, een gigantisch geheugen bijgestaan door een uitmuntende fichebak en een woordkunst om jaloers op te zijn. Dat live wielerverslaggeving overeind blijft op papier is zonder meer een meesterwerk.

Het helpt uiteraard dat wielrennen – koers! – een bescheiden maar zeer ernstig beoefende religie is met een trouwe schare volgelingen. Van voornoemde verslaggevers wordt op gespecialiseerde sites overigens jaarlijks een bloemlezing aangelegd. Een mooie binnenkomer in de lijst is vast de beschrijving van het eerste deel van het parcours die Wuyts losjes uit de mouw schudt: “een lus met wat platte bergjes.” Wie de mening over datzelfde parcours van De Cauwer, oud-renner en voormalig bondscoach, een beetje metrisch op blad stelt, krijgt als het ware een gelaagd gedicht.

Men probeert in wielerwedstrijden
d’er altijd iets in te leggen.
Dat is zo, ja,
op een of andere manier zit dat
in de kronkel van de organisatoren.

Toegegeven, het is poëzie op platvoeten maar net daarom ook mooi en zo prachtig passend bij het bonkige karakter dat wielrennen, zeker in de Lage Landen, blijft beheersen. Tijdens uitzendingen had ik altijd de idee dat de taakverdeling is: Wuyts voor de lyriek en het golvende metrum, De Cauwer voor de nuchtere aarding. Dat wordt in dit boek toch voor een stuk ontkracht. Niemand immers kan mooier en lyrischer dan José De Cauwer uitleggen wat het betekent om een koers te rijden.

Nu moet je vooral als België zijnde achter aan het feit: je bent toch niet mee, vooral   rustig blijven. Eten, drinken, eten, drinken, eten, drinken, niks doen, in de buik van   het peloton kruipen, geen renners opofferen om de ene of de andere uit de wind te   zetten. Gewoon eten, drinken.

Je krijgt opnieuw de neiging om met de bladspiegel te spelen. Lees het eens zo:

Nu moet je vooral
als België zijnde
achter aan het feit: je bent toch niet mee
vooral rustig blijven.
Eten, drinken, eten, drinken, eten, drinken,
niks doen,
in de buik van het peloton kruipen, geen renners opofferen
om de ene of de andere uit de wind te zetten.
Gewoon eten, drinken.

De prachtige uitgave van Praat maar vol, jongens speelt reeds een beetje met de bladspiegel, met lettergrootte en vetgedrukte passages. Toch is het, wanneer ik de gedichten van De Cauwer zo opstel, misschien jammer dat ze in deze reeds uitzonderlijke uitgave niet nog verder durfden gaan. Het is echter de enige kritiek die we kunnen geven op dit boekje dat nu al haar plaats heeft in de uitgebreide wielerbibliotheek.

Het is overigens duidelijk dat beide commentatoren niet vies zijn van een stevige portie wielerliteratuur en intertekstualiteit. Wanneer De Cauwer stelt: “Ja, da’s, als er nu één land is waar men het bord van de tegenstander eerst leegeet, en dan aan zijn eigen bord begint, dan is het in Nederland wel.” – weet hij best dat hij een van Nederlands wielergrootheden citeert. Eerst het bord van een ander leegeten is, sinds wijlen Gerrie Knetemann het gebruikte als definitie van wielrennen, een koersstandaard.

Michel Wuyts en José De Cauwer converseren vermoedelijk op jaarbasis meer met elkaar dan met hun respectieve familie. Ook dat draagt bij aan de sterkte van dit verslag. De heren hebben maar een halve zin nodig om elkaar te verstaan. Zo reageren ze bijvoorbeeld op het afhaken van de Bretoense klimmer Warren Barguil.

M Hier zitten we bij Barguil.
J Gelost.
M Die moet daar eigenlijk ook niet zitten!
J Geen meter gereden en gelost.
M Akelig, hè.

Het is vooral in de snelle wisselwerking dat, zelfs op papier, de spanning van de koers opborrelt. Zo komen we uiteindelijk bij een van de beslissende momenten in de finale, het moment ook waarop ik in Pamplona in een bar een televisiescherm passeerde, wielrenners zag en besloot een koffie te drinken om het einde van de wedstrijd te zien.

M En een val, en een val! En is dat vooraan gebeurd?
J Da’s vooraan, da’s vooraan, da’s vooraan.
M Daar ligt …
J Ai ai ai, en wie is er weg?
M Zijn dat …
J Majka is weg.
M Majka alleen.
J Majka is weg.

Zo is het met wielgeschiedenis als met alle grote historische momenten: je weet nog perfect waar je was, en met wie, toen ze plaatsvonden. Toen Eddy Merckx op 21 juli 1969 voor het eerst de Ronde van Frankrijk won, stond Neil Armstrong op de maan. Toen Greg Van Avermaet op 6 augustus 2016 Olympisch kampioen werd, zat ik in een koffiebar in Pamplona. Gelukkig heb ik Praat maar vol, jongens om de koers van nabij te beleven. Geluk schuilt soms in een klein boekje.

Praat maar vol, jongens
Jaar van uitgave: 2017 Categorie:
Uitgever: Vrije Uitgevers Bladzijden: 176