dubbelrecensie>

Een bombriefwisseling over ‘Goudvissen en beton’ etc

Goudvissen en beton ()
(dubbel) recensie door & in

Hoi Maarten,

Ik las net de nieuwste van je bijna-naamgenoot. Maartje Wortel. Plots was-ie er. Een flinterdun boekje van 58 pagina’s – 7800 woorden lang. (Dat heb ik uiteraard niet zelf geteld, daar is gewoon software voor. Wat een leven). In 39 minuten heb je hem uit.

We doen een Beyoncé!”, hadden de jongens van Das Mag (dat is haar uitgever) zich bij de aankondiging van het boek op de borst geklopt. Sinds de lancering van hun uitgeverij eind vorig jaar zorgen ze voor een frisse wind in een sector die al een paar decennia op een ferme schop onder de kont zat te wachten.

Ze sloegen er bijvoorbeeld in om tweets over Het Smelt van Lize Spit op posterformaat in stations op te hangen. Of deelden het boek gratis uit in de trein. Die actie haalde zelfs de krant. Er werd over geblogd. Ze gingen hashtag viral.

Nu deden ze iets nieuws: ze kondigden een boek aan vlak voor het in de winkels lag. Een beetje zoals muzikanten plots out of the blue een nieuwe single uitbrengen. Justin Bieber deed ‘t wel eens. En Drake. Beyoncé ook.

Maartje Wortel kon dus niet achterblijven, en pakte uit met Goudvissen en Beton. Een boek dat zweeft tussen een kortverhaal en een roman. (Hoe noem je zoiets?). Andere schrijvers brachten de voorbije jaren ook zo’n boekjes uit. De broertjes Heerma van Voss – kind aan huis bij Das Mag – bijvoorbeeld.

Het verschil met hun boeken en dat van Maartje is dat ze een duidelijke verhaallijn hebben. Zo’n traditionele met een begin, midden en einde. Dat is bij Maartje wel anders. Haar boek is één lange gedachte over holisme en Tilburg. “Het doet mij denken aan de vreemde ijlbui die je in de ochtend kunt hebben na een avond zwaar zuipen”, schreef Maxim Hartman in De Volkskrant.

Om die ijlbui op papier te vangen haalt Maartje een aantal klassieke stijlgrepen boven. Zo spreekt ze de lezer direct aan (wat best bizar kan zijn, vind je niet?) en plaatst ze geregeld gedachten tussen haakjes. Een gimmick die Herman De Coninck ook al eens durfde toe te passen. (En nog heel wat andere auteurs, maar jij weet beter dan wie ook hoe Google werkt.) Het is niet makkelijk om zo’n trucjes te gebruiken om een verhaal boeiend te maken. (Eigenlijk is in mijn ogen alleen Jamal Ouariachi er eens mee weg kunnen komen, in ‘Een Honger’.)

Soit, we dwalen af. Ik hield enorm hard van IJstijd, de vorige roman van Maartje. Een verhaal waarvan je de insteek nadien eenvoudig kon doorvertellen – wat in dit geval niet zo is. Gaandeweg zal je namelijk beseffen dat de vergelijking met Beyoncé mank loopt: nummers van Beyoncé kan je elk moment van de dag beluisteren. Beyoncé kan je in GIFjes vatten. Dit boek niet. Goudvissen en Beton is meer een stuk van Ludovico Einaudi, dat je niet even halverwege kan pauzeren. Je moet het in één ruk beleven, anders heb je er geen bal aan.

Groet,

Thomas

Dag Thomas

Bedankt voor het briefje.

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen, wat mijn antwoord betreft: dat laatste boekje van Wortel maakte mij razend –ongekend razend.

Mocht de auteur voor me staan, met die kenmerkende en open blik van constante verbazing, ik zou ten stelligste roepen: wat is me dat eigenlijk? Waarom?

Jij gaf als leestip: in één ruk lezen. Wel Thomas, dat deed ik. En goed maar dat ik je raad opvolgde, want zoiets als Goudvissen en Beton in tussenpozen behappen, komt op het zuiverste sadisme neer –de pijn nodeloos uitrekken.

Wat mij dermate ergerde? Om te beginnen, en in navolging van jou: het vertelperspectief. Ze spreekt de lezer openlijk en meermaals aan en wil die betrekken in het verhaal –wat mij altijd als ouderwets en storend overkomt (in het lezen gaat het mij niet om mij; ik lees net immers om mezelf op de achtergrond te kunnen plaatsen; maar nu draag ik plots een vervelende verantwoordelijkheid). En bovendien doet ze het nog eens op een belegen, weinig uitnodigende manier. “Ik kan je alvast vertellen”, schrijft ze tussen haakjes, ergens in de aanhef van het boekje, “het begin [van het verhaal] duurt het langst, het is een aanloop.”

Dat belooft voor de rest, dacht ik.

En inderdaad. De rest van dat citaat ging verder met een (pseudo-diepzinnig) cliché (één van de vele helaas). “Het einde, dat is een punt, altijd alleen een punt. Maar als je goed kijkt is die punt een opening, een klein gaatje waar je doorheen kunt en waarachter een begin dat veel langer duurt op je wacht. Als je wilt eindigt het nooit.”

Begin, einde, eeuwigheid en alles daartussen. Het zal wel. Wat anders? Bij verhalen die eigenlijk om niets draaien, zou het tegendeel pas verbazen.

En dan komt de vader in het spel, die rijdend en gedreven door “een onzichtbare hand” de afslag naar Tilburg neemt. En blijkbaar heeft de lezer (‘jij’) een band met die man, en dat vind ik aanmatigend, omdat ik helemaal niets voel met het personage, dat mij vanaf het begin af mateloos irriteert. En dan komen nog allerlei bespiegelingen over de auto van de vader die ik als eindredacteur geschrapt zou hebben –maar ja, mocht ik alles schrappen wat ik overbodig vond aan de novelle, ik kwam uit bij een korte anekdote.

En de anekdote bevat geeneens een pointe.

Natuurlijk zitten ook goede passages in dat boekje. Bijvoorbeeld waar Mortel haar vader omschrijft als de man die “zonder vuur brandwonden kan veroorzaken”. Sterk gevonden. Maar van die flitsen zijn er te weinig om echt te kunnen genieten. Waarom? Omdat ik het uitschreeuwde naar werkelijk elk karakter, telkens weer, bladzijde na bladzijde (gelukkig in totaal niet zo veel bladzijden). Want altijd maar janken en wenen, en de zwakkeling uithangen en in een hoekje kruipen met een dekentje, op zoek naar troost, die toch nooit genoeg of voldoende lijkt. Een voorbeeld, pagina 53: “Toen we aan de zee waren moest je huilen. Ik heb je natte ogen gekust”, dat soort zinnetjes doen misschien heel poëtisch en meisjesachtig aan, maar overtuigen mij van een zieltogend gebrek aan inspiratie en slap gedoe dat teert op makkelijke emoties.

Misschien ben ik dan ook een macho. Of een ongevoelige klootzak, of beide. Kan best. Maar serieus: over wat gaat dit boekje eigenlijk? Voor alle duidelijkheid: ik heb helemaal niets tegen een hermeneutisch graven en wroeten in de eigen ziel, in een poging de innerlijke mens beter te begrijpen en te beheersen. Het verlies van ouders tekent een mens op een geheel eigen wijze, wat een interessante en unieke kijk op de dingen kan opleveren. Maar Wortel mist gewoon echte diepte. Originele diepte. Verfrissende, verkoelende diepte. Interessante, indringende diepte. Het doet me allemaal te puberaal aan. Te wollig. Te beurs. Te makkelijk.

Te veel: ween, ween. Te veel: snik, snik.

Soit. Om maar te zeggen: bij het lezen van dit boekje voelde ik me als die goudvis die op een bepaald moment in het verhaal, zonder enige reden, wordt gemarteld. Waar is de trein?

Met genegen groet, en tot de volgende

Maarten

Goudvissen en beton
Jaar van uitgave: 2016 Categorie:
Uitgever: Das Mag Bladzijden: 59 Maartje Wortel Goudvissen en Beton recenssie